Van bierkaartje tot woordenboek
De Standaard 10 juni 2006

 

Van Aalst tot Zwevegem: bijna elke plek in Vlaanderen heeft tegenwoordig zijn dialectwoordenboek. Vaak gaat het om het levenswerk van gedreven liefhebbers.

 

Het begon met bierkaartjes waarop hij typische Aalsterse uitdrukkingen noteerde, zegt Jan Louies, de auteur van de Oilsjtersen Diksjoneir. Hij is leraar en heeft een gezonde belangstelling voor de plaatselijke geschiedenis. Behulpzame stadsgenoten speelden hem tips door enmettertijd is het idee gegroeid om de woordenlijst te herwerken die al in 1988 verschenen was.

 

Eind vorig werd een tweede versie van de Oilsjtersen Diksjoneir uitgebracht, in een oplage van drieduizend exemplaren. In een stad als Aalst is carnaval een rijke voedingsbodem voor de streektaal. Carnavalsgroepen steken elkaar naar de kroon in het zoeken naar de smeuïgste uitdrukkingen voor hun themawagens. Er worden liedjes gemaakt en pamfletten gedrukt in het Aalsters. Louies: “Het is een van de zeldzame keren dat dialect ook wordt neergeschreven. Toch is de folklore geen wissel op de toekomst voor het Oilsjters. De generatie die nu carnaval viert, komt nog weinig in contact met het plaatselijke dialect. Woorden verdwijnen of worden niet meer gebruikt. Een woordenboek is een van de middelen om ze vast te leggen voor het nageslacht.”

 

Jacques Van Keymeulen, hoogleraar taalkunde aan de Universiteit Gent, bevestigt de opmars van de dialectwoordenboeken. Hij spreekt van een dialectrenaissance. De bibliotheek met plaatselijke woordenboeken' groeide de voorbije jaren aan tot vierhonderd à vijfhonderd exemplaren. “Limburg spant de kroon, maar ook het Waasland is heel actief. Lokeren en Beveren waren daar de grote voorbeelden. Deze week verscheen nog een woordenboek van het Belseels, maar ook Elversele en Nieuwerkerken hebben hun eigen woordenlijsten.”

 

Het succes van de compilaties ligt voor de hand, zegt Van Keymeulen. “Dialecten zijn met uitsterven bedreigd. Samen met de objecten, bijvoorbeeld de landbouwwerktuigen, verdwijnt ook het woord. Taalverlies wordt als identiteitsverlies beschouwd door de oudere generatie.” Overal te lande zijn goedmenende liefhebbers bezig met het vastleggen van de taal van hun geboortedorp. Vaak maken ze er hun levenswerk van. Ze worden aangemoedigd door plaatselijke dialectverenigingen of heemkundige kringen.

 

De woordenboeken zijn van ongelijke kwaliteit. Soms worden ook legendes, liedjes, rijmpjes en plaatselijke recepten opgenomen. Van Keymeulen: “Het pittoreske en het grappige geven vaak de toon aan. Veel woordenlijsten worden verlucht met cartoons. Maar je hebt ook zeer ernstige studies. Het standaardvoorbeeld is het Zuid-Oostvlaandersch Idioticon uit 1922. Het is even ingewikkeld en uitgebreid als de Van Dale.”

 

De boeken zijn van grote waarde voor de wetenschap, zegt Van Keymeulen. “Voor de historische taalkunde maken ze een onschatbare bronnenverzameling uit. Geleerdheid is geen criterium om ze te beoordelen. Dialectwoordenboeken zijn waardevol, als ze gewoon vastleggen welke woorden voorkomen en wat ze betekenen. Zolang woordenboekenmakers maar afblijven van terreinen als etymologie en fonetiek. Dan slaan ze vaak aan het fantaseren.”

 

Vaak worstelen ze ook met het ontwerpen van een consequente spelling. “Het vraagt inzicht in de klankleer van een specifiek dialect. Voor amateur-lexicografen zijn er daarom handleidingen beschikbaar.”

 

De website van het Permanent Overlegorgaan Regionale Woordenboeken brengt de oogst van de woordenboeken in kaart. Je vindt er ook een leuke quiz en voorbeelden van sprekende kaarten'. Daarop kan je nagaan hoe regenworm' in uw streek wordt uitgesproken, variërend van teek tot pielewuiter. Geert Van der Speeten