De tijd dat het dialect in de ban gedaan werd als tegenhanger van “beschaafd Nederlands”, ligt ver achter ons. Streektalen en regionale accenten worden gekoesterd als “immaterieel erfgoed”, als levende monumenten. De revival vertaalt zich onder meer in het succes van dialectwoordenboeken, een tiendaagse Weik van 't Brussels en de onstuitbare opkomst van dialect bij de nieuwe kleinkunstgeneratie. Volgend weekend vindt de eerste aflevering plaats van de Dialectendag, waar vijftien dialectverenigingen aan deelnemen. In de aanloop naar deze studiedag in Lokeren vroegen we vijf notoire dialectsprekers wat hun affiniteit met streektaal is. Vandaag: Stefan Brijs.
- Wanneer spreekt u dialect?
“Nooit, ik spreek geen dialect. Soms spreek ik Vlaams, soms spreek ik Nederlands, maar dialect spreek ik nooit, omdat ik het niet kan. Mijn grootouders spraken wel nog dialect, maar dat was ook al geen oervorm meer. Bij mijn ouders thuis sprak ik geen dialect, wel Vlaams met gij en ge .”
“In Genk, waar ik vandaan kom, is het dialect aan het uitsterven, omdat er weinig echte Genkenaars overblijven. Ik begrijp het Genks volledig, maar als er iemand in het dialect tegen mij spreekt, antwoord ik altijd in het Vlaams.”
“In Maasmechelen is het anders dan in Genk. Ik speelde er van mijn veertiende tot mijn vijfentwintigste volleybal met Maaslanders en die spraken allemaal Maasmechels.”
- Mist u dialect spreken soms?
“Dat weet ik niet, maar ik vind het prachtig om mensen dialect te horen spreken. Ik vind dat daar een groot gevoel van verbondenheid aan vasthangt. Nu woon ik in Koningshooikt, een deelgemeente van Lier. Hier spreken mensen een prachtig dialect. Toch heb ik vaak problemen om het te begrijpen.”
- Zou u het spijtig vinden als dialecten verdwijnen?
“Ik weet het niet. Ik heb daar nog niet vaak over nagedacht.”
“Ik denk wel dat mensen van mijn generatie, als ze zelf nog dialect spreken, hun kinderen geen dialect meer aanleren omdat ze op school toch algemeen Nederlands moeten spreken. Het zou wel een taalverarming zijn als dialecten verdwijnen. Dialecten zijn immers een verrijking voor de taal: waar je in het Nederlands een woord voor hebt, bestaan er in het dialect vaak vier of vijf synoniemen.”
“In mijn boeken streef ik ernaar om zo correct mogelijk Nederlands te gebruiken, zodat ze ook in Nederland probleemloos kunnen worden gelezen. Mooie Vlaamse uitdrukkingen als 'hij stuurt zijn kat' en 'hij weet niet van welk hout pijlen maken' gebruik ik niet. Maar als ik in Nederland ben, probeer ik de Nederlanders duidelijk te maken dat er in Vlaanderen zoveel prachtige uitdrukkingen bestaan.”
- Moet de overheid de dialecten redden?
“Ik zou niet weten hoe ze dat praktisch kan organiseren. Je kan toch geen vak dialect invoeren op school?”
“Een vriend van mij in de lagere school sprak thuis het Genkse dialect. Het ging zelfs zover dat hij geen algemeen Nederlands kende. Als hij op school een opstel moest schrijven, schreef hij dat dus in het Genkse dialect. Wat zou je dan moeten doen? Hem belonen of straffen?”
- Heeft u een hekel aan bepaalde dialecten?
“Helemaal niet. Maar ik vind het Maaslands wel mooier dan Hasselts en Diepenbeeks. Maaslands heeft vele heldere klanken, zoals Duits en Maastrichts. Hasselts is een erg zangerig dialect, zoals Steve Stevaert spreekt.”
- Zou u een televisieprogramma als “Man bijt hond” begrijpen zonder ondertitels?
“Ik ben vaak blij dat er ondertitels staan, vooral bij het West-Vlaams dan. Ik denk dat enkel West-Vlamingen West-Vlaams begrijpen. Oost-Vlaams en Brabants verstaan de meeste mensen wel denk ik.”
“Mochten er geen ondertitels zijn bij Man bijt hond , dan zouden sommige dingen mij zeker ontgaan, maar ik zou nog steeds genieten van de klankkleuren. Dat een Nederlandse serie als Baantjer in Vlaanderen ondertiteld wordt, vind ik wel absoluut onnodig.”
- Wat vindt u het mooiste dialectwoord?
“Toen ik volleybal speelde, ging ik regelmatig op café en dan werd er vaak gezegd ich goan heiverst . Het betekent: ik ga naar huis. Dat vind ik wel mooi.”
Stefan Brijs (36) is schrijver. Hij debuteerde in 1997 met “De verwording”. In 2005 verscheen zijn roman “De engelenmaker”, die werd bekroond met de Gouden Uil-publieksprijs.