De
Vlamingen begrijpen elkaar nog altijd niet
De Standaard 10 juni 2006
Dat het orale erfgoed' de aandacht van een ware dialectendag nodig heeft, bewijst dat het in gevaar is. We spreken onze dialecten steeds minder, maar niet ten voordele van het Algemeen Nederlands: er is een nieuwe Vlaamse metataal in opmars. Door Marc Reynebeau
VRIENDEN van het dialect belanden snel bij woorden als schommel, emmer of drempel. Maar wat betekent een biezebaaze nog als elk kind de gameboy verkiest? Waartoe dient een oeker als niemand nog een waterput heeft? Alleen de Poolse werkster gebruikt dat ding nog en zij zal er wel haar eigen woord voor hebben. En wie zit nu op de zulle te kouten met de buren wanneer zoveel mensen in een drempelloos appartement wonen?
Het dialect wortelt in een verdampte wereld. Zeker in technische termen schiet het tekort. Voor fietsen en auto's behelpt het zich met verbasterd Frans, zoals giedon (fietsstuur) of bougie (ontsteking). Maar kèrrekeerwere is alleen in de televisiesatire de Kortrijkse variant voor de return-toets van de computer.
Een taal is niet meer functioneel als ze niet langer nieuwigheden kan absorberen. Het Sranan Tongo, het Surinaamse creools, gaf het al met de auto op. Veiligheidsgordels heten er naar Amerikaans model safety belts.
Het Frans verzon, ietwat amechtig, eigen woorden voor nieuwe gebruiken als window shopping en technologische innovaties, om niet te moeten toegeven dat die vooral van Angelsaksische oorsprong waren. Dat leverde woorden op als logiciel (software) en courriel (e-mail), maar veel verder gaat het niet meer.
Het IJslands, dat in de loop van de eeuwen amper veranderde, slaagde daar nog in met de telefoon en de televisie, maar toen de computer eraan kwam, gaf het de strijd op. Wat zouden het Zillebeeks of het Neerpelts dan stand kunnen houden?
En waarom zou het ook? Waar voor de meeste mensen de mentale horizon nog geen eeuw geleden amper verder strekte dan het eigen dorp, vinden ze het vandaag gewoon om zich voor werk of pret vele tientallen kilometers ver te verplaatsen. Efficiënt communiceren in die brede geografische ruimte vergt een taal die het dorpsgebonden dialect ver overstijgt.
Zo verwaterde het dialect en gingen steeds minder mensen het spreken. Wat ervan rest, staat buiten zijn talige en geografische context en klinkt dus storend. Dat is zo met de dialectklanken van wie zonder veel enthousiasme een algemeen Nederlands probeert, zoals dat afgrijselijke Kempens bij Tom Boonen.
De eerste Vlaamse dialectendag van vandaag wil dit orale erfgoed weer onder de aandacht brengen. Als erfgoed is het dialect drager van authenticiteit en geschiedenis, waaraan ook de nostalgie zich kan vasthaken. Zijn rijkdom zit minder in zijn bruikbaarheid als omgangstaal dan in zijn beeldende kracht, zijn metaforen en zegswijzen, die getuigen van levenservaring, wijsheid, zin voor relativering, humor en menselijkheid.
Volgens filologen scherpt het dialect, in combinatie met de standaardtaal, ook de taalgevoeligheid aan. De spanning tussen beide talen leert mensen met variaties omgaan. Wie beide beheerst, is gevoeliger voor taalregisters en heeft een scherper besef van de gebruiksmogelijkheden van de taal.
Maar dat inzicht is recent. Het dialect stond lang in een kwade reuk. De taal droeg immers, zeker in Vlaanderen, altijd een politieke betekenis. Voor de Vlaamse Beweging van de negentiende eeuw was zij gansch het volk', al was van die taal lang niet veel te merken. Ze bestond alleen voor de kleine groep geletterden die zich opwierp als de elite van het volk.
Het Vlaams' (soms ook: het Belgisch') bleef lang een schijntaal, die alleen in een geschreven versie bestond, in kranten en literatuur. Verder was het niet meer dan een verzamelnaam voor een reeks onderling erg verschillende dialecten. De sprekers ervan begrepen elkaar slechts moeizaam en schakelden niet zelden over op het Frans om toch een zinnig gesprek te kunnen voeren.
Vlamingen hebben altijd met hun taal geworsteld. Zeker twee eeuwen lang hadden ze het idee dat hun' taal was achtergesteld, tegenover het Frans in België en tegenover het ingevoerde Nederlands uit Nederland. Daar genoot de taal al enkele eeuwen een semi-officieel statuut. Ze had er zelfs in de godsdienst een draagvlak gevonden, met de Statenbijbel als referentie.
Werd het Nederlands ook in België geleidelijk officieel erkend, veel Vlamingen hadden het moeilijk om zich te identificeren met die nieuwe, als vreemd ervaren standaardtaal. Daarom konden de dialecten lang een valabel alternatief blijven. De standaardtaal oogde elitair en dat wilde ze ook, zoals blijkt uit de naam waaronder ze na de Tweede Wereldoorlog werd uitgedragen: Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN).
Dat beschaafde' stond tegenover het boertige en achterlijke karakter dat aan de nog altijd overheersende dialecten werd toegeschreven. Dat weerspiegelt het misprijzen voor het gewone' volk, dat wel vaker voorkwam bij de flamingantische kleine burgerij.
Die negatieve kijk toonde zich ook bij een taalfanaat als wijlen Johan Anthierens. ,,Met zijn allen in een middeleeuws wambuis blijven hangen, lijkt het verlangen van alle Vlamingen, slim en dom'', schreef hij in 1997 in De Tijd. ,,Onze beste zangers, de Wannessen, de Willemmen en andere gebaarde Walters, rijmen in een privé-bargoens, en regionale derivaten van de cultuurtaal dicteren de tongval in alle tv-feuilletons. In dit land van solden voor koopjes en een kot voor een kamer zijn alle begrippen welkom als het maar geen Nederlands is. Succes verzekerd, als het maar onverstaanbaar klinkt.''
In zijn memoires beschrijft Wilfried Martens hoe het ABN in de jaren vijftig als een uiting van Vlaams extremisme' werd beschouwd. ,,Er groeide aldus een soort taalelite'', schrijft Martens. ,,De taalpromotoren argumenteerden dat de Vlamingen beschaafd moesten spreken omdat ze anders een minderwaardig volk zouden blijven en niet zouden kunnen opwegen tegen de Franstaligen, die hun taal wel behoorlijk konden spreken. De ABN-spreker deed dus permanent inspanningen om zijn taal te verfijnen, dat ging soms zo ver dat hij bijna Hollands ging praten, tot ergernis van velen. Zij hebben het hoog in hun bol', zei men over ons.''
Het met een belerend vingertje uitgedragen ABN werd al snel als opgedrongen ervaren. De zeg niet zus, maar zeg zo'-lijstjes veroorzaakten veel wrevel, ongemak en onzekerheid: schrijf of zeg ik het wel goed? Taalplezier leek onbestaande, iedereen kreeg een taalkundig onvermogen aangepraat. De radio bracht elke ochtend taaltips onder de beschuldigende titel Voor wie haar soms geweld aandoet'.
Het werd een fiasco. ,,Na vijftig jaar ABN-actie kent de Vlaming nog altijd geen Nederlands'', aldus Frans Debrabandere, een van de promotoren ervan (DS 30 november 2005). Toch bestaat wat nu het Algemeen Nederlands (AN) heet, wel degelijk. Het beschikt ook over een duidelijk draagvlak, de openbare omroep. Maar daarom is het nog geen dagelijkse omgangstaal geworden. Vandaag wordt in niet eens een vijfde van de Vlaamse gezinnen AN gesproken.
De meesten spreken iets anders, een tussentaal die Schoon Vlaams heet, Verkavelingsvlaams of Soapvlaams. Ze vloeit voort uit sociale veranderingen, de informeler geworden samenleving, de grotere zelfverzekerdheid van de Vlaming, het diskrediet van de culturele elites, de democratisering, vermenigvuldiging en commercialisering van de media, terwijl ook de politieke druk op het Nederlands wegviel.
Die tussentaal is breed verspreid, maar bestaat in tal van varianten omdat de dialecten er een grote invloed op uitoefenen. Vooral de Brabantse as Antwerpen-Mechelen-Leuven weegt zwaar door, doordat deze variant de norm zet in het taalgebruik van populaire media als VTM, dat zich weinig gelegen laat aan correct taalgebruik. Die Brabantse klank zou volgens de Gentse filologe Annelies Van Laere zelfs te horen zijn bij de Limburger Steve Stevaert. Maar doordat de tussentaal in zoveel varianten bestaat, moeten, na anderhalve eeuw taalstrijd, steeds meer tv-programma's worden ondertiteld. De Vlamingen begrijpen elkaar nog altijd niet.
De regionale invloeden weerspiegelen niet zozeer een positieve waardering van het dialect, wel de slordigheid en het onvermogen in het taalgebruik. Amper iemand vindt het nog van belang dat er een verschil bestaat tussen als en wanneer, tussen een tas en een kop, tussen een vest, een jas en een overjas of tussen noemen en heten.
Taalzorg is niet langer de eerste zorg in het onderwijs. Jongeren zijn vandaag wel mondig, maar niet meer taalvaardig. Al na een paar woorden verraadt hun tongval waar ze zijn opgegroeid. En het gaat hard. Bij de VRT slaagt vandaag 3 procent van de sollicitanten in de stemproef: in 1998 was dat nog 8 procent.
De reden: er is amper nog AN te horen, niet op school en niet in de massamedia. Behalve in journaals en andere ernstige' programma's hanteert zelfs de openbare omroep steeds minder het AN, zeker niet in talkshows of fictieprogramma's. Mensen moeten zich in fictie kunnen herkennen, heet het dan, en het klopt dat dat niet kon met het bombastische theater-ABN van vroeger.
Maar het is ook een vicieuze cirkel: aangezien het AN steeds minder te horen is, lijkt het steeds meer een vreemde taal. Dat zo de tussentaal domineert, heeft vérstrekkende gevolgen. Onderwerpen als politiek en cultuur lijken niet langer voor ons' bestemd, aangezien daarover toch niet in onze' taal wordt gesproken.
De tussentaal kon zich opdringen doordat het AN steeds minder wordt gevoed vanuit Nederland. Sinds de start van VTM in 1989 verschrompelde het gemiddelde kijkcijfer van de Nederlandse televisie in Vlaanderen tot ongeveer een tiende. Jongeren kennen de Nederlandse klankkleur niet meer, ook al omdat ook daar een tussentaal in opgang is, al staat die veel minder ver af van het AN dan in Vlaanderen.
En ja, de taal is gans' het volk. Het verbreden van de kloof met Nederland versterkte de Vlaamse neiging tot culturele insluiting. Voor veel Vlamingen is hun taal niet eens het Nederlands, ze zeggen dat ze Vlaams' spreken. Sinds de jaren 1990 krijgen Amerikaanse tekenfilms zowel een Vlaamse als een Nederlandse dubbing. Toen in 1999 de eerste Asterix-film van Claude Berri alleen in een door vooral Nederlandse acteurs ingesproken vertaling in de bioscoop kwam, gewaagde Het Belang van Limburg verontwaardigd van een kaasbollenversie'. Schrijvers en literatuurwetenschappers rekenen de schrijverij in Vlaanderen niet langer tot de Nederlandse literatuur, maar aanzien haar als een aparte, Vlaamse' literatuur.
En het dialect ondertussen? Filip Kowlier maakte het hip, al is hij buiten West-Vlaanderen niet te begrijpen. Maar ja, van die Engelstalige liedjes is vast ook maar weinig te begrijpen. Kowlier kreeg navolging in de Nekka-liedjeswedstrijd, waarin het gros van de deelnemers voor het dialect kiest. Dialect wordt weer efficiënt, nu de vervreemding tegenover de standaardtaal toeneemt.
Het AN trekt zich terug in de formele schrijftaal, terwijl de tussentaal het informele schrijven van e-mails en sms'en gaat beheersen. Maar om er ook liedjes in te schrijven, is dat Schoon Vlaams (nog?) te wisselvallig en te armzalig. Ze bestaat tenslotte weinig meer dan taalkundige slordigheden en inhoudelijke clichés zoals die door deelnemers aan tv-programma's als Temptation Island en Big Brother wordt gedebiteerd, type bangelijk en goe bezig. Een mens wil weleens wat meer gezegd krijgen. Zo niet in het AN, dan toch in het dialect.
De Eerste Vlaamse Dialectdag vindt plaats in het Cultureel Centrum, Kerkplein 5 in Lokeren, zaterdag 10 juni vanaf 10 u. Tussen de lezingen door is er om 10.30 u. een dialectshow, in de namiddag zijn er diverse ,,werkwinkels'' rond Reinaertvertalingen, dialectmuziek, dialectstrips en streekgastronomie.
De toegang is gratis. Info: www.variaties.be; www.vcv.be, tel. 02-243.17.30 (VCV).