Doelstelling
De
werkgroep heeft maar één doel voor ogen: het verzamelen van zoveel
mogelijk dialectwoorden en uitdrukkingen opdat het Ninoofs dialect niet
verloren zou gaan
Het
eerste woordenboek is een vertalend, verklarend en waar mogelijk
etymologisch woordenboek waar ook aandacht besteed wordt aan legenden,
liedjes en rijmpjes. Er werden eveneens recepten in het “Algemieën
Bekoest Nienofs” opgenomen.
Er
wordt momenteel aan een tweede boek gewerkt waarin ook aandacht zal
besteed worden aan de typische woorden en uitdrukkingen aangaande
ambachten en beroepen.
Inleiding
1.
Voorgeschiedenis:
Een
dialectwoordenboek spreekt al lang tot de verbeelding.
Het
begon allemaal in 1976 – zoals in zoveel gevallen – met een gesprek
tussen pot en pint. Op een bepaald moment sprak Richard Merckaert –
inmiddels overleden – me aan en opperde een voorstel om een
dialectwoordenboek samen te stellen. Dit verwonderde mij enigszins
gezien het feit dat Richard afkomstig was van Deux-Acres. Doch gezien
zijn interesse voor al wat Ninove aanging, nam ik zijn idee ten harte.
Er werd over dit idee nog veel gepraat en langzaamaan kwam er een zekere
structuur in hetgeen we zouden doen om effectief aan dit monnikenwerk te
beginnen.
Er
werd geopteerd om met ± 1.500 woorden naar de deelgemeenten te stappen
en daar onze senioren – die weinig of niet hun dorp verlaten hadden
– aan te spreken en onze lijst voor te leggen. Dit betekende uiteraard
dat de idee om een dialectwoordenboek samen te stellen er eigenlijk uit
bestond om effectief een naslagwerk samen te stellen over elk (centraal)
dialect van iedere deelgemeente.
Spijtig
genoeg werden deze verkennende gesprekken en ideeën nooit in de
praktijk omgezet door tal van omstandigheden, zoals te veel andere
activiteiten.
2.
Noodzaak?
Vele
Ninovieters merkten dat het dialect stilaan aan het verdwijnen was. Er
zijn uiteraard heel wat redenen die deze evolutie in de hand werken.
Een
fenomeen dat wel door iedereen zal gekend zijn, is het feit dat onze
jeugd tegenwoordig een soort tussentaal gebruikt. Het is een mengeling
van het Algemeen Nederlands en het A.B.N. (Algemieën
Bekoest
Nienofs).
Het
is een totaal apart taaltje met bijvoorbeeld uitspraken zoals: “Hebde dat al eens gezien?”
i.p.v.:
Heb
je / heeft U dat al gezien?”
(Algemeen Nederlands) of:
“E’
je dat al gezien?”
(Algemieën
Bekoest
Ninoofs). De redenen hiervoor zijn legio: de grote invloed
van T.V. waar men blijkbaar ook al vergeten is dat er een officiële
taal bestaat, de grotere mobiliteit van de bevolking, waardoor er steeds
meer invloed van andere dialecten en talen op ons eigen dialect
waarneembaar is, enz. ...
Doch
dienen we het verdwijnen van het dialect niet enkel in de schoenen te
schuiven van de jeugd. De hedendaagse volwassenen hebben over het
algemeen langer naar school geweest en zijn meer en meer buiten hun
geboortestreek gaan wonen, waardoor zij geneigd / verplicht werden over
te schakelen naar een meer formele taal met als (onvermijdelijk) gevolg
dat hun relatie tot het dialect verwaterde.
We
dienen echter ook vast te stellen dat ons “Nienofs”
onder invloed van de grotere mobiliteit en het multimediafenomeen,
steeds meer nieuwe klanken en woorden te verwerken krijgt. Er was dus
dringend een ingrijpen nodig waardoor er toch nog een deel van ons
sappig dialect voor het nageslacht zou bewaard blijven. Sommigen beweren
dat het uitbrengen van dit boek 50 jaar te laat komt, doch kennen we in
Ninove geen wijk “Be.La.No”
(Beter Laat dan Nooit)?
3.
Historiek:
Op
een bepaald moment interpelleerde André De Clercq in 1996 de Schepen
van Cultuur, Danny Schoon, over het feit dat er verschillende mensen met
dialect bezig waren op hun manier. De idee werd toen geopperd om al deze
mensen uit te nodigen om van gedachten te wisselen over het voorstel om
samen te werken.
Verschillende
personen gingen in op de uitnodiging en in de loop van de maand maart
1996 werd de eerste ‘steenlegging’ een feit. Er werd in die periode duchtig
gebrainstormd. Op
een bepaald moment werd er naar de Cultuurraad gestapt met de bedoeling
om als Culturele vereniging in aanmerking te komen. Daar werd echter
voorgesteld om alle geïnteresseerden samen te brengen in een werkgroep,
waardoor de werkingskosten door middel van een jaarlijkse toelage zouden
kunnen gedekt worden. Dit voorstel werd aangenomen en er werd een
bestuur samengesteld. Dit bestuur zou in de loop der jaren wel eens van
samenstelling veranderen, eveneens bleven er bepaalde leden weg en
kwamen er dan weer anderen bij. Doch een harde kern bleef verder werken
en het resultaat van de inspanningen van deze mensen gedurende bijna 5
jaar, heeft ondertussen al een eerste boek opgeleverd.
Oorspronkelijk
waren er een 15-tal enthousiastelingen die telkens hun ideeëngoed bij
mondjesmaat vrijgaven. Uiteraard waren er verschillende strekkingen op
gebied van de schrijfwijze. Iedereen hanteerde zijn eigen interpretatie
van de verschillende klanken die onze sappige taal rijp is. Zoals
iedereen weet zijn er veel meer klanken dan dat er letters in ons
alfabet zijn. Dit resulteerde dan ook in grote verscheidenheid van
bijkomende tekens die iedere amateur-lexicograaf hanteerde. Iedereen was
er roerend over eens dat de fonetische benadering de enige juiste was,
doch deze werkwijze zou uiteraard de verkoopbaarheid van het boek
drastisch beperken.
Een
tweede grote moeilijkheid was het vinden en verzamelen van zoveel
mogelijk typische dialectwoorden. Een aantal woorden is immers in
onbruik geraakt of wordt nog enkel door de echte, oudere Ninovieters
gebruikt.
Er
was dus veel werk aan de winkel. Allereerst moest er dus naar een
conforme spelling gezocht worden en om dit doel te bereiken werd er een
tabel uitgewerkt met de meest gebruikte spellingswijzen in de
vrijwilligersgroep. Uiteindelijk waren er drie grote strekkingen –
waarvan twee met geringe verschillen en een derde met grotere
afwijkingen – en werden de voor- en nadelen van elke spellingswijze
nagegaan om op die manier de “grootste
gemene deler” te zoeken. Na vele – soms oeverloze – discussies
werd er uiteindelijk een spelling gecreëerd die voor iedereen
aanvaardbaar leek. Uiteraard zal de uiteindelijke schrijfwijze grondig
uiteengezet worden in deze inleiding waar er dan wél met fonetische
tekens de uitspraak zal weergegeven worden. Om een duidelijk beeld te
krijgen van het gebruik van bepaalde lettercombinaties, werd er –
naast de fonetische weergave – ook het klankbeeld weergegeven door
voorbeeldwoorden – eventueel uit een andere taal – te noteren waarin
de desbetreffende klank gebruikt wordt.
We
zijn er uiteraard van bewust dat sommige mensen onze zienswijze niet
zullen delen, doch we zijn er vast van overtuigd dat als de lezer van
dit boek de inleidende verklaring van de spellingswijze grondig
doorneemt, hij zonder al te veel problemen de vele uitdrukkingen en
voorbeeldzinnen, de recepten, liedjes en rijmpjes zal kunnen lezen.
4.
Tot slot:
Graag
wil ik – in naam van de werkgroep – iedereen danken die op
enigerwijze zijn bijdrage geleverd heeft om dit monnikenwerk te
realiseren. Zonder de aanbreng van woorden, uitdrukkingen, liedjes en
rijmpjes, zou het onmogelijk geweest zijn om tot dit resultaat te komen.
Wij
willen zeker niet de pretentie hebben dat we een wetenschappelijk werk
op de markt hebben gebracht. We zien dit woordenboek – waar uiteraard
wel degelijk opzoekwerk aan besteed werd – eerder als een naslagwerk
waar de lezer enorm veel plezier kan beleven. Wij hebben bewust gekozen
voor een vormgeving die aanleunt bij een klassiek woordenboek. Doch om
de ‘saaiheid’ van een
doorsnee woordenboek te doorbreken, hebben we dan ook geopteerd om het
boek te illustreren met enkele gepaste en ludieke cartoons van Rufijn De Decker en hebben we waar mogelijk bijkomende illustraties
aangebracht.
Ninovieters
(etymologisch: Ninovenaars) mogen dan al Wettelkrabbers,
Stekskesmaunen en Kaffeegieters, … genoemd worden, denk dan
aan de uitdrukking:
Verwauitjen
kaun mau nie bauitjen,
moër
sloën doe mau zjieër
en
weet tevens dat men nergens anders het volgende kan zeggen:
In
Nienof, woër da de mieren op de mieren krooëpen.
Eddy
DE CLEER
Voorzitter
Werkgroep “Het Ninoofs Dialectwoordenboek” |